T 070 - 390 62 60
AantjesZevenberg, voorwaardelijke ontbinding., ontslag, ontslag op staande voet, Hoge Raad

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over aansprakelijkheid

In het kader van de Wet Versterking Cassatierechtspraak kunnen sedert 1 juli 2012 door lagere rechters in een lopende procedure prejudiciële vragen aan de Hoge Raad worden gesteld, indien een antwoord nodig is op rechtsvragen, die voor de beslissing van belang zijn. Onlangs heeft de Rechtbank Noord-Holland besloten van die gelegenheid gebruik te maken en zijn prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld over de aansprakelijkheid van een bezitter van een dier jegens een medebezitter daarvan.

Het Burgerlijk Wetboek kent een aantal kwalitatieve aansprakelijkheden voor zaken, dat wil zeggen zowel levenloze zaken als dieren. Het betreft hier risicoaansprakelijkheden. De risicoaansprakelijkheid voor de bezitters van dieren is neergelegd in artikel 6:179 BW. De grondslag van de aansprakelijkheid is de eigen energie die in het dier schuilt. Als ik bijvoorbeeld door de hond of de kat van de buurman word gebeten, dan is die buurman daarvoor aansprakelijk. Wordt het dier gebruikt bij de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid uit artikel 6:179 BW op degene die het bedrijf uitoefent (artikel 6:181 BW).

Dat laatste doet zich met name regelmatig voor bij maneges, zo ook in het door de Rechtbank Noord-Holland te berechten geval. De benadeelde, die samen met haar echtgenoot een manege exploiteert, loopt letsel op als een van hun paarden haar omver loopt. Zij stelt haar echtgenoot als mede-bedrijfsmatige gebruiker van het paard naar rato van de winstverdeling aansprakelijk. Die aansprakelijkstelling is evident ingegeven door het zogenaamde hangmatarrest (HR 8 oktober 2010, JA 2011, 10, ECLI:NL:HR:2010:BM6095), een zaak met betrekking tot de aansprakelijkheid voor onroerende zaken, geregeld in art. 6:174 BW. In die zaak ging het ook om een echtpaar. De vrouw ging in een in de tuin opgehangen hangmat liggen. Eén kant van de hangmat was bevestigd aan een gemetselde pilaar. De pilaar brak af en is op haar gevallen, met zeer ernstig letsel tot gevolg. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat artikel 6:174 BW ook strekt ter bescherming van benadeelden die tevens (mede) bezitter van de schadeveroorzakende opstal zijn. Het is volgens de Hoge Raad redelijker ook als niet een derde, maar de bezitter zelf schade lijdt, de schade over alle bezitters te verdelen, waarbij de benadeelde medebezitter zelf dat deel van de schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal, in plaats van de benadeelde medebezitter zijn schade volledig zelf te laten dragen. De uitkomst van die zaak was dat nu de vrouw en haar partner ten tijde van het ongeval elk voor 50% in de opstal gerechtigd waren de (verzekeraar van de) man gehouden was 50% van de door de vrouw geleden schade te vergoeden.

Het arrest is in de literatuur veel besproken en ook bekritiseerd. De vraag is, of dit arrest ook gelding heeft in het geval van medebezit van dieren. De verzekeraar in het door de Rechtbank Noord-Holland te berechten geval meent van niet en stelt zich op het standpunt dat het beschermingsbereik van artikel 6:179 BW zich beperkt tot derden en dat de lijn uit het hangmatarrest met betrekking tot artikel 6:174 BW niet kan worden doorgetrokken naar de aansprakelijkheid voor dieren, omdat het profijt dat de bezitter van een dier heeft bij het houden van dat dier (terwijl hij hier bewust gevaar mee schept voor derden) niet rechtvaar¬digt dat de bezitter van dat dier ook aansprakelijk is jegens de medebezitter daarvan, die zelf als medebezitter verantwoordelijk is voor het ontstaan van dat gevaar.

Partijen hebben vervolgens gezamenlijk verzocht prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen: 1. Vestigt artikel 6:179 BW uitsluitend een risicoaansprakelijkheid jegens derden, dat wil zeggen jegens personen die niet de hoedanigheid van (mede) bezitter van dat dier hebben? 2. Kan de toepasselijkheid van artikel 6:181 BW ertoe leiden dat aansprakelijkheid wordt gevestigd jegens personen die de hoedanigheid hebben van (mede) bedrijfsmatig gebruiker van een dier?

Wij kijken natuurlijk reikhalzend uit naar de beantwoording van deze vragen door ons hoogste rechtscollege. Wij houden u op de hoogte.