T 070 - 390 62 60
AantjesZevenberg, letselschade, immateriële schadevergoeding, erfopvolging, aansprakelijkheidsrecht

De bedenktermijn bij vaststellingsovereenkomst

De WWZ heeft de werknemer de mogelijkheid geboden om zich te ‘’bedenken’’ na het sluiten van een beëindigingsovereenkomst. Uit artikel 7:670b lid 2 BW volgt dat de werknemer het recht heeft om de beëindigingsovereenkomst, zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen door middel van een aan de werkgever gerichte schriftelijke verklaring, te ontbinden. Vanaf welk moment de bedenktermijn precies gaat lopen, wordt daarmee niet duidelijk. Wat wordt immers verstaan onder ‘’de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen’’?

Kantonrechter te Leiden over de bedenktermijn

De kantonrechter te Leiden heeft recentelijk geoordeeld dat de bedenktermijn pas gaat lopen na ondertekening van de beëindigingsovereenkomst door partijen. In casu is door partijen onderhandeld over een concept-beëindigingsovereenkomst. Bij e-mail van 29 januari 2016 heeft de gemachtigde van werkgever na onderhandelingen een allerlaatste bod gedaan en de aangeboden vergoeding verhoogd. De gemachtigde van werkneemster heeft daarop gereageerd en schrijft onder meer dat ervan wordt uitgegaan dat partijen overeenstemming hebben bereikt, dat de aangepaste overeenkomst tegemoet wordt gezien en dat partijen de aangepaste en goedgekeurde overeenkomst ondertekenen met de datum van vandaag. Uiteindelijk wordt de beëindigingsovereenkomst niet ondertekend. Op 16 februari 2016 doet werkneemster vervolgens een beroep op haar herroepingsrecht.

De kantonrechter oordeelt dat de rechtsvraag waarover partijen van mening verschillen is wanneer de beëindigingsovereenkomst geacht moet worden tot stand te zijn gekomen ofwel wanneer aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Het antwoord op die vraag blijkt niet duidelijk uit de wettekst. De kantonrechter verwijst naar de wetsgeschiedenis, doel van de bedenktermijn en de rechtszekerheid. Er wordt geoordeeld dat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b BW niet zover gaat dat de bedenktermijn pas gaat lopen na ondertekening door partijen van de beëindigingsovereenkomst. Een zo vergaande afwijking van het reguliere contractenrecht en het systeem van aanbod en aanvaarding zou, zo de wetgever dat heeft bedoeld, in de wet of in ieder geval de wetsgeschiedenis zijn genoemd. Aan het schriftelijkheidsvereiste ligt ten grondslag dat in het vereiste van een geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat met mededelingen per whatsapp en met akkoordverklaringen per e-mail voldaan kan worden aan het schriftelijkheidsvereiste. Nu partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, onderhandeld hebben over de concept-beëindigingsovereenkomst met het resultaat de e-mail waarin wordt aangegeven dat partijen overeenstemming hebben bereikt, volgt hieruit, volgens de kantonrechter, dat voldoende blijkt dat de afspraken over de beëindigingsovereenkomst kenbaar en akkoord waren voor de werknemer. Dat het aangepaste concept uiteindelijk niet meer door partijen is ondertekend, doet daaraan niet af. De bedenktermijn vangt aan op het moment dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de essentialia van de beëindiging. In deze dus per 29 januari 2016.

Kantonrechter te Rotterdam over de bedenktermijn

Deze uitspraak staat haaks op de uitspraak van de kantonrechter te Rotterdam welke eerder dit jaar juist oordeelde dat de bedenktermijn pas gaat lopen na ondertekening. In de uitspraak wordt verwezen naar de wetsgeschiedenis waaruit volgt dat voor de tekst van artikel 7:670b BW is aangesloten bij artikel 7:653 lid 1 BW, welke bepaling ziet op het schriftelijkheidsvereiste bij een concurrentiebeding. Verwezen wordt voorts naar de uitspraak van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (JIN 2008/288) waarin is geoordeeld dat aan dat vereiste in ieder geval is voldaan indien sprake is van ondertekening door de werknemer.

Conclusie

Het is duidelijk dat nog geen eenduidigheid bestaat over het moment waarop de bedenktermijn gaat lopen. Dientengevolge is het verstandig om partijen zo spoedig mogelijk te laten ondertekenen.

Labels:, ,