T 070 - 390 62 60
AantjesZevenberg, cassatieadvocaat, cassatie, Telefoonabonnement met “gratis” toestel,2e, BW art. 3:41, BW art. 7:57 lid 1 sub c, BW art. 7A:1576, consumentenkrediet, gratis toestel, koop op afbetaling, partiële nietigheid, prejudiciële vragen, telefoonabonnement, Wck art. 1 su b a

Deelgeschil in een concrete zaak

Sinds enkele jaren is er een bijzondere regeling in de wet opgenomen, die speciaal voor letselschadezaken geldt. Als de onderhandelingen stokken op een specifiek punt, kan de rechtbank in een relatief snelle en eenvoudige procedure gevraagd worden daarover uitspraak te doen, als dat bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het bijzondere aan deze procedure is, dat de daaraan verbonden advocaatkosten in beginsel ook voor rekening van de aansprakelijke partij komen.

Een dergelijk geschilpunt kan zich bijvoorbeeld voordoen als na een ongeval sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer en er onenigheid bestaat over de mate daarvan.

In een tragische zaak die bij ons kantoor in behandeling is, is er aanleiding gezien een deelgeschil aan de rechter voor te leggen.

Feiten

Het ging in die zaak om een jonge vrouw, aan wie een ongeval was overkomen, met zeer ernstig letsel tot gevolg. Met de fiets stak zij een drukke kruising over, waarbij zij werd aan¬ge¬reden door een personenauto.

Aansprakelijkheid voor het ontstaan van de aanrijding en de gevolgen daarvan was door de verzekeraar van de auto voor 75% erkend. De auto reed evident te hard, maar het slachtoffer was door rood gereden. Wij meenden dat de verzekeraar voor meer dan 75% gehouden was de schade te vergoeden, waarbij wij het volgende hebben aangevoerd..

Partijen waren het er over eens, dat aan de automobilist geen beroep op overmacht toekomt. Dan heeft te gelden, dat als er sprake is van een fout van de be¬trokken fietser, tenminste 50% van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Dat brengt mee dat deze eigenaar in ieder geval aansprakelijk is voor de helft van de schade van de fietser. Ten aanzien van de andere helft is in beginsel beslissend in hoeverre de – foutieve – gedragingen van de automobilist en de fietser tot de schade hebben bijgedragen (HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566).

In deze zaak stond vast, dat de automobilist te hard heeft gereden en dat hij niet heeft gestopt voor het oranje verkeerslicht en mogelijk zelfs extra gas heeft gegeven. Uit het proces-verbaal van politie laat zich afleiden, dat hij met een snelheid van ongeveer 70-80 km per uur moet hebben gereden (waar 50 km per uur is toegestaan), toen hij het verkeerslicht passeerde, waarbij hij eerst een andere auto heeft ingehaald en vervolgens op het moment dat het licht op oranje sprong, nog een derde auto links heeft ingehaald en daarbij snelheid heeft vermeerderd.

Daarbij had de automobilist rekening moeten houden met de mogelijkheid dat fietsers ter plaatse de kruising zouden oversteken, ook als deze daarbij mogelijk een rood verkeerslicht zouden negeren.

De causaliteitsafweging diende in onze visie om voornoemde redenen al moeten leiden tot meer dan 50% aansprakelijkheid. De fout van de automobilist is immers, zo hebben wij verdedigd, groter dan die van de fietser, zodat de verdeling van de causaliteit boven de 50% die in gevolge voormeld arrest van de Hoge Raad al ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht, al in het nadeel van het motorrijtuig had moeten uitvallen.

Vervolgens diende de zogenaamde billijkheidscorrectie er in onze optiek toe te leiden, dat (naar de maatstaven van artikel 6:101 BW) meer van de schade ten laste van het motorrijtuig c.q. de verzekeraar moest worden gebracht, omdat de in lid 1 van dat artikel bedoelde billijkheid, bezien in het licht van alle omstandigheden van het geval, een dergelijke verdeling eist. Daarbij was ons inziens met name bepalend de jonge leeftijd van de fietser, het zeer ernstige letsel en de daarmee samenhangende omvangrijke schade.

Ten tijde van het ongeval was het slachtoffer 17 jaar oud. Het letsel is zeer aanzienlijk. Er is sprake van ernstige neuropsychologische functiestoornissen, die rechtstreeks en uitsluitend tot het ongeval zijn te herleiden. Het hersenletsel leidt tot een vertraging van denken en handelen, een vertraging van het tempo van informatie verwerken, een stoornis der cognitieve vermogens, de aandacht en concentratie, een stoornis van de geheugenfunctie, problemen met de motorische componenten van de taalfunctie en een stoornis van de visus. Daarnaast zijn er duidelijke functieproblemen van de fijne motoriek en problemen met het overzicht over complexere en samengestelde taken en situaties. De mentale verwerkingssnelheid is duidelijk vertraagd. Er zijn duidelijke aanwijzingen voor een verminderde spankracht. Er zijn aanwijzingen voor insufficiëntiegevoelens ten aanzien van denken en handelen en een grote mate van onzekerheid ten aanzien van het toekomstperspectief. Er zijn angstcomponenten in het gedrag aanwezig, er is een sterke neiging tot sombere reactievorming en af en toe zijn er tekenen van depressiviteit. Er zijn duidelijk aanwijzingen voor een verwerkings- en acceptatieproblematiek ten aanzien van het ongeval en de ervaren ongevalsgevolgen. Daardoor is er sprake van een grote lijdensdruk. Er zijn duidelijke beperkingen ten aanzien van het algehele functioneren van het volgen van regulier onderwijs. Het slachtoffer is in redelijkheid niet in staat een opleiding te volgen op hetzelfde niveau als voorheen en ook ten aanzien van sportieve en recreatieve activiteiten zijn er duidelijke beperkingen. Tevens zijn er beperkingen ten aanzien van het sociale functioneren; dagbesteding zal voor het slachtoffer het hoogst haalbare zijn.

Mede op grond van dat alles meenden wij dat 90% (althans in ieder geval meer dan 75%) aansprakelijkheid op zijn plaats zou zijn, waarbij wij ons hebben beroepen op recente, vergelijkbare jurisprudentie.

Oordeel Rechtbank Den Haag

De Rechtbank Den Haag dacht daar helaas anders over en vond de al erkende 75% genoeg. De wederzijds gemaakte fouten worden 50/50 aan de fietser en de automobilist toegerekend en de billijkheid eist niet meer dan een ‘opslag’ van de aansprakelijkheid van 25%.

Klik voor de uitspraak van de rechtbank hier.

Labels:, ,