T 070 - 390 62 60
AantjesZevenberg, arbeidsrecht,, ketenregeling, vaststellingsovereenkomst

Wanneer kan tussentijds (cassatie)beroep worden ingesteld?

Regelmatig wordt ons kantoor verzocht om tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen arresten of beschikkingen van hoven, die tussenuitspraken blijken te zijn.

Een tussenuitspraak is een uitspraak waarin de rechter niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde aan het geding heeft gemaakt (vaste rechtspraak; zie bijvoorbeeld reeds HR 10 juni 1966, NJ 1966, 431).

Van een tussenuitspraak kan, behoudens rechterlijk verlof, niet eerder beroep worden ingesteld dan ter gelegenheid van beroep van de einduitspraak in dezelfde procedure. Voor cassatieberoep volgt dat uit artikel 401a lid 2 Rv.

Sinds de invoering van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (per 1 januari 2002) is de mogelijkheid van hoger beroep of beroep in cassatie tegen een tussenvonnis of tussenarrest beperkt. Zo de rechter in zijn tussenuitspraak geen toestemming voor tussentijdsberoep verleent, geldt als regel dat van tussenuitspraken geen beroep openstaat voordat eindvonnis of eindarrest is gewezen. Pas als het dictum een duidelijke eindbeslissing bevat, staat daartegen de mogelijkheid van hoger beroep c.q. beroep in cassatie open.

Wel heeft de Hoge Raad in zijn beslissing van 23 januari 2004, NJ 2005, 510 en HR 17 december 2004, NJ 2005, 511, n.nt. DA , de mogelijkheid geopend, dat de rechter, ook nadat hij uitspraak heeft gedaan, des verzocht – en na de wederpartij op het verzoek te hebben gehoord – alsnog bepaalt, dat beroep kan worden ingesteld vóór de einduitspraak, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek aanvankelijk in de processtukken is gedaan. De voornaamste rechtsoverwegingen uit dit belangwekkende arrest zijn de volgende:

“3.1 Voordat het middel wordt beoordeeld, stelt de Hoge Raad ambtshalve de vraag aan de orde of Ponteecen in haar beroep, voor zover gericht tegen Stratex, kan worden ontvangen, nu het bestreden arrest, voor zover gewezen tussen Ponteecen en Stratex, een interlocutoir karakter draagt en beroep in cassatie tegen dat arrest in zoverre naar luid van art. 401a lid 2 Rv. slechts tegelijk met het eindarrest kan worden ingesteld.

3.2 Bij de beantwoording van deze vraag wordt vooropgesteld dat naar het vóór 1 januari 2002 geldende procesrecht, waarin in dagvaardingsprocedures tussentijds appel en cassatieberoep in beginsel steeds mogelijk waren, tenzij de bevoegdheid daartoe door de rechter op de voet van art. 337 lid 2, dan wel art. 401a lid 2 (oud) Rv. was uitgesloten, de Hoge Raad in het belang van een doelmatige rechtspleging heeft aanvaard dat, indien de desbetreffende uitspraak ten dele een interlocutoir en ten dele een eindvonnis of arrest was, de werking van de verklaring, strekkende tot verbod van een tussentijds beroep, wordt doorbroken in dier voege dat in een zodanig geval, niettegenstaande bedoelde verklaring, terstond beroep kon worden ingesteld van het gehele vonnis of arrest (HR 7 december 1990, nr. 14087, NJ 1992, 85; vgl. ook HR 13 januari 1995, nr. 15498, NJ 1995, 482).

Naar het thans geldende procesrecht, waarin juist omgekeerd ook in dagvaardingsprocedures tussentijds beroep van rechtswege is uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat dit wettelijk verbod om tussentijds beroep in te stellen wordt doorbroken in een geval zoals in eerstgenoemd arrest aan de orde was, waarin tussen dezelfde partijen meer vorderingen ter beoordeling stonden en de in eerste aanleg oordelende rechter aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde had gemaakt, maar voor een ander gedeelte een interlocutoir tussenvonnis wees. In een zodanig geval moet ook naar het thans geldende recht worden aangenomen dat tussentijds beroep tegen dit vonnis, ook wat betreft het interlocutoire gedeelte daarvan, steeds mogelijk is omdat een ander stelsel ten gevolge kan hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende vorderingen zou worden gesplitst, hetgeen onwenselijk is, onder andere omdat dit kan leiden tot tegenstrijdige beslissingen.

3.3 In de onderhavige zaak is echter sprake van gedeeltelijk dezelfde en gedeeltelijk uiteenlopende vorderingen tegen twee van elkaar te onderscheiden procespartijen. Hoewel ook in deze zaak samenhang tussen die vorderingen bestaat, moet niettemin worden geoordeeld dat de omstandigheid dat de vordering tegen de ene partij, [verweerder 2], in het dictum van het bestreden arrest aanstonds is afgewezen, niet rechtvaardigt om, ondanks het verbod van art. 401a lid 2 Rv., tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen het tussenarrest dat is gewezen tegen de andere partij, Stratex. De wenselijkheid tegenstrijdige beslissingen te voorkomen is in gevallen als hier aan de orde minder klemmend, aangezien beslissingen die in het geschil tegen de ene partij zijn genomen, in beginsel geen bindende kracht hebben in het geschil, voor zover aanhangig tegen de andere partij. Voorts is het niet goed mogelijk een uitzondering op deze regel te formuleren in gevallen waarin daaraan mogelijk behoefte zou bestaan; meer in het bijzonder is de maatstaf van “voldoende samenhang” met de aanstonds afgewezen vordering tegen de medegedaagde partij, onvoldoende scherp omlijnd om daarmee een uitzondering op deze regel te kunnen afbakenen.

Ponteecen zal dus niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in haar cassatieberoep, voor zover gericht tegen Stratex.”


In de vorm van een overweging ten overvloede geeft de Hoge Raad de praktijk voorts nog een aantal aanwijzingen, op welke wijze daar in de praktijk mee moet worden omgegaan:

“3.4 De Hoge Raad voegt hieraan nog het volgende toe. In de eerste plaats blijft ook in het wettelijk systeem zoals dat thans geldt, ruimte voor een procesbeleid waarin de rechter de in het ongelijk gestelde partij de mogelijkheid biedt tussentijds beroep in te stellen tegen zijn beslissing, bijvoorbeeld in verband met het feit dat in de tussenuitspraak is beslist op een controversiële rechtsvraag, hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid, omdat een kostbaar onderzoek is gelast waarvan het nut is betwist of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen, zoals in het onderhavige geval. De rechter kan hetzelfde resultaat bereiken door in de zaak waarin hij einduitspraak zou kunnen doen, de beslissing in het dictum aan te houden. In de tweede plaats moet worden aangenomen dat de rechter ook nadat hij uitspraak heeft gedaan, desverzocht en na de wederpartij op het verzoek te hebben gehoord alsnog kan bepalen dat beroep kan worden ingesteld voor de einduitspraak, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek aanvankelijk in de processtukken is gedaan. In het belang van een goede procesorde dient te worden aangenomen dat een zodanig verzoek binnen de beroepstermijn dient te worden gedaan. De rechter behoeft zijn beslissing op het verzoek, waarmee hij een bevoegdheid uitoefent die aan zijn procesbeleid is overgelaten, niet te motiveren, net zomin als wanneer hij een beslissing zoals bedoeld in art. 337 lid 2 Rv. aanstonds in zijn tussenuitspraak neemt. Met het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel binnen de wettelijke termijn hoeft niet te worden gewacht totdat op het verzoek is beslist; de beslissing op dat verzoek zal immers niet steeds kunnen worden genomen voordat die termijn is verstreken. Bij de beslissing om al dan niet ontheffing te verlenen van het in art. 337 lid 2 Rv. besloten verbod, mag het feit dat de zaak inmiddels reeds in de hogere instantie aanhangig is gemaakt, geen rol spelen.”

Het arrest is onder meer besproken door A.I.M. van Mierlo, Ars Aequi 53 (2004), 5, de pagina’s 353 tot en met 357.

Ook het arrest waarin een tegen een tussenvonnis ingesteld hoger beroep wordt verworpen is een tussenarrest als bedoeld in art. 401a Rv: HR 4 februari 2005, LJN AR6188, NJ 2005, 142. Zie ook HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709; voorts HR 28 januari 2005, LJN AS1893.

Met het instellen van het beroep in cassatie behoeft blijkens voornoemde uitspraak van de Hoge Raad niet te worden gewacht. Sterker: dat moet dan ook binnen de normale cassatie-termijn gebeuren: HR 17 december 2004, NJ 2005, 511, m.nt. D. Asser. Zie in dit verband ook HR 17 december 2004, NJ 2006, 229, m.nt. H.J. Snijders. Doet men dat niet, dan is tussentijds cassatieberoep niet meer mogelijk; zie bijvoorbeeld hof ‘s-Hertogenbosch 9 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:1478.

Zoals Van Mierlo al in voornoemd artikel heeft aangegeven, zal in de praktijk de gang van zaken veelal aldus zijn, dat de in het ongelijk gestelde partij tijdig, dat wil zeggen binnen de beroepstermijn c.q. cassatietermijn, het beroep tegen de tussenuitspraak instelt en tegelijkertijd toestemming verzoekt aan de rechter die de tussenuitspraak heeft gewezen.

Labels:, ,