T 070 - 390 62 60
AantjesZevenberg, cassatie, wettelijk deelgenootschap, eenvoudige gemeenschap, BW art. 1:90 lid 1, Bw art. 3:173, BW art.1:93, huwelijkse voorwaarden, rekening en verantwoording, schadeplichtig, verdeling huwelijksgemeenschap

Eenvoudige gemeenschap tussen echtgenoten moet in afwikkeling wettelijk deelgenootschap worden betrokken

In een zaak waar de cassatieadvocaten van ons kantoor betrokken zijn geweest, heeft de Hoge Raad beslist over de vraag of een eenvoudige gemeenschap tussen echtgenoten in de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap moet worden betrokken.

Achtergrond van de zaak

De man en de vrouw in deze zaak waren op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In hun huwelijkse voorwaarden zijn zij een wettelijk deelgenootschap met een finaal verrekenbeding overeengekomen, op grond waarvan zij zich jegens elkaar hadden verplicht de vermeerdering van hun privévermogens die tijdens het deelgenootschap zou plaatsvinden, aan het einde van het huwelijk met elkaar te delen. Op een gegeven moment is het huwelijk ontbonden.

Aan partijen behoort in gemeenschappelijk eigendom onder meer een onroerende zaak toe, bestaande uit een perceel grond met daarop een woning in aanbouw. Dit betreft een eenvoudige gemeenschap in de zin van titel 7 van Boek 3 BW. In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is tussen partijen een geschil ontstaan over de verrekening van het wettelijk deelgenootschap zoals dit tussen hen heeft bestaan en over de verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap. Het hof heeft hieromtrent beslist dat, behoudens andersluidende overeenstemming tussen partijen, de waarde van de goederen behorende tot de eenvoudige gemeenschap in de verrekening van het wettelijk deelgenootschap moet worden betrokken.

Cassatie

Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Namens de man is het cassatieberoep – onder meer – gericht tegen het oordeel van het hof dat, gelet op het feit dat de man het uitsluitend gebruik van de nog aan aanbouw zijnde woning had, het – met inachtneming van het in art. 3:169 BW bepaalde – redelijk is dat de lasten met betrekking tot de woning in de periode van onverdeeldheid uitsluitend door hem zouden moeten worden gedragen.

De Hoge Raad oordeelde als volgt. Art. 3:169 BW bepaalt dat – behoudens andersluidende regeling – iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere(n) gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde(n) een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen (zie bv. HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143, NJ 2001/59 en HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:502).

Indien het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat het aan de vrouw een gebruiksvergoeding heeft toegekend ter hoogte van haar aandeel in de aan de woning verbonden lasten, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Indien het heeft bedoeld te oordelen dat het beroep van de man op art. 3:172 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Kennelijk heeft het hof in aanmerking genomen dat de man het uitsluitend gebruik van de woning had. Dit is echter zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de man de woning niet bewoont en ook niet heeft bewoond.

De vrouw klaagt in het incidentele cassatieberoep (onder meer) dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven ten aanzien van de regel die geldt voor de wijze waarop met het bestaan van een eenvoudige gemeenschap in het kader van de verrekening van het wettelijk deelgenootschap moet worden omgegaan. Zij doelt in dit verband (onder meer) op het tweede lid van art. 1:139 BW (oud), dat bepaalde dat tot het vermogen van een echtgenoot al zijn goederen en schulden worden gerekend, met uitzondering van zijn aandeel in een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen. Volgens de vrouw brengt een redelijke wetsuitleg en wetstoepassing mee dat in een geval waarin naast het wettelijk deelgenootschap een eenvoudige gemeenschap bestaat, deze gemeenschap bij het vaststellen van de verrekeningsvordering uit hoofde van het wettelijk deelgenootschap buiten beschouwing moet worden gelaten.

De Hoge Raad gaat hier echter niet in mee en is (net als de A-G) van oordeel dat uit de toelichting op art. 1:139 BW (oud) volgt dat indien echtgenoten in hun huwelijkse voorwaarden naast een wettelijk deelgenootschap ook een beperkte huwelijksgemeenschap zijn overeengekomen, het aandeel in die beperkte huwelijksgemeenschap buiten de verrekening in het kader van het wettelijk deelgenootschap blijft. Voor goederen die tussen echtgenoten uit anderen hoofde dan krachtens huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk zijn, geldt volgens de Hoge Raad echter dat deze wél in de verrekening krachtens het wettelijk deelgenootschap dienen te worden betrokken.

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof de waarde van de onroerende zaak dus op zichzelf terecht in de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap betrokken, zodat de hiertegen gerichte klacht van de vrouw niet kan slagen (r.o. 5.3.1). Wel slaagt de klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu geen van partijen had bepleit dat de eenvoudige gemeenschap bij de verrekening van het deelgenootschap moest worden betrokken (r.o. 5.3.2).

Daarnaast klaagt de vrouw in cassatie dat het oordeel van het hof dat de echtgenoten geen rekening en verantwoording aan elkaar schuldig zijn over het door hen gevoerde beheer ten aanzien van het vermogen binnen de eenvoudige gemeenschap, rechtens onjuist is. De omstandigheid dat echtgenoten zijn gehuwd in voor- en tegenspoed, betekent volgens de vrouw niet dat de regel van art. 3:173 BW niet geldt. Volgens A-G mr. Vlas moest deze klacht van de vrouw falen; hij wijst op het exclusieve karakter van het huwelijk en de huwelijksgemeenschap die de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording zou verhinderen. Hij betoogt dat dit een gevolg is van de huwelijksgemeenschap en de daaraan verbonden lotsverbondenheid die pas eindigt bij de ontbinding ervan. De Hoge Raad acht de klacht van de vrouw echter gegrond. Naar het oordeel van de Hoge Raad kan ook binnen het huwelijk sprake zijn van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording en schadeplichtigheid. De aard van de tussen echtgenoten bestaande rechtsverhouding verzet zich daar niet tegen.

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. Link naar het arrest.

Zoekt u een cassatieadvocaat? Neem vrijblijvend contact op!

Labels:, , , , , , , ,